Artikel 8:2
Geen beroep kan worden ingesteld tegen:
- een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,
- een besluit, inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, en
- een besluit, inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.
- een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 [van de algemene wet inzake rijksbelastingen: red.] voorgeschreven verrekening, of
- een voor bezwaar vatbare beschikking.
Het besluit betreft echter geen van beide. Bezwaar en/of beroep is dus niet mogelijk. Zie ook deze uitspraak.
1. Op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften:
a. is afdeling 3.2 slechts van toepassing, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet
verzet;
b. zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 niet van toepassing.
2. Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van
b. zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 niet van toepassing.
2. Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van
overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet.
* Artikel 3:2 gaat over verplichting tot een zorgvuldige belangenafweging,
* Artikel 3:6 behandelt de publicatieplicht, en
* Artikel 3:7 de plicht tot motiveren van het besluit
Het komt er dus op neer dat een gemeente een parkeerverordening kan vaststellen zonder de bevolking te hebben geraadpleegd en zonder de inhoud van de verordening toe te lichten en zonder deze te publiceren, zoals bedoeld in art. 3:6.
Het mag evident zijn dat een dergelijk kort-door-de-bocht traject voor besluitvorming en implementatie niet bijdraagt tot het verkrijgen van draagvlak voor de maatregel. Anderzijds kan het helpen om het inspraaktraject te structureren en het voorkomt dat na de besluitvorming de men de invoering van betaald parkeren moet uitstellen omdat een enkele burger nog bezig is met een juridische procedure.
